Barcelonesa vertelt over Barcelona. Mijn persoonlijke tips voor je trip naar Barcelona.

Home » Praktische informatie Barcelona » Catalaanse en Spaanse woorden

Catalaanse en Spaanse woorden

De officiële, na het Franco-tijdperk opnieuw ingevoerde landstaal is het Català (‘Catalaans’), dat op scholen als ‘eerste’ taal wordt onderwezen. Ook Spaans (‘Castellano‘ of ‘Español‘) wordt in Catalonië als landstaal geaccepteerd. Veel gelezen dagbladen zoals La Vanguardia of El Periódico gebruiken deze taal.

Barcelona is een tweetalig stad waar straat signalen, informatie en menu’s kunnen zowel in het Spaans of in het Catalaans zijn.

Ben je geïntereseerd in Spaans te leren? Op HolaBarcelona.nl geef ik een aantal tips een handinge links om Spaans te leren. Je kunt ook alvast een boek kopen om je Spaans te oefenen voordat je op reis gaat. Daarnaast kun je in Barcelona cursussen Catalaans gratis volgen. Lees meer hierover op deze pagina.

Tip: ontdek mijn boekentips voor Spanje fans en studenten Spaans/Catalaans.

Toeristische woordenlijst in het Spaans

Capitool Taalgids Spaans
Capitool Taalgids SpaansKoop nu >

Jouw 100 belangrijkste woorden
Jouw 100 belangrijkste worden in het SpaansKoop nu >

Spaans voor Dummies op reis
Spaans voor Dummies op reisKoop nu >

De belangrijkste zinnen in het Spaans

– Ik heet…: me llamo…
– Waar vind ik…?: ¿dónde se encuentra / dónde hay…?
– Heeft u…?: ¿tiene…? – Ik heb… nodig: necesito…
– Ik wil graag…: querría…
– Wat kost dat?: ¿cuánto cuesta esto?
– Wanneer is… geopend / gesloten?: ¿a qué hora abre / cierra…?
– Ik wil een ongeluk / diefstal aangeven: quier denunciar un accidente / robatorio
– Mijn geld, cheques, paspoort is /zijn gestolen: me han robado mi dinero, cheques, pasaporte
– Wilt u alstublieft een ambulance / de politie bellen?: pot favor, llame a la ambulancia / la policía
– Heeft u een een- / tweepersoonskamer vrij?: ¿tiene una habitación doble?
– Met / zonder bad: con / sin baño
– Met ontbijt: con desayuno
– Voor een nacht: para una noche
– Halfpensioen: media pensión
– Volpensioen: pensión completa
– Ik vertrek morgenochtend vroeg: me voy mañana por la mañana
– De rekening alstublieft: la cuenta, por favor
– Hoe kom ik in…?: ¿cómo se va a…?
– Waar vertrek de bus naar…?: ¿de dónde sale el autobús para…?
– Waanneer gaat er een bus / trein naar…?: ¿cuando sale el autobús / tren hacia…?

Beleefdheidsfrasen in het Spaans

– Goedendag: buenos días
– Goedenavond: buenas tardes
– Goedenacht: buenas noches
– Tot ziens: adiós
– Tot straks: hasta luego
– Hallo, hoe gaat het?: hola, ¿qué tal?
– Goed: bien
– Alstublieft: por favor
– Dank u wel: gracias
– Graag gedaan: de nada
– Wat kan ik voot u doen?: ¿qué desea?
– Neem u me niet kwalijk: perdone
– Spreekt u Engels?: ¿habla inglés?
– Spreekt u Nederlands?: ¿habla holandés?
– Heeft u een vuurtje?: ¿tiene fuego?

Tijd en dagen van de week in het Spaans

– Wanneer: ¿cuando?
– Vandaag: hoy
– Morgen: mañana
– Overmorgen: pasado mañana
– Gisteren: ayer
– ’s ochtends: por la mañana
– ’s middags: por el mediodía
– ’s avonds: por la tarde
– ’s nachts: por la noche
– Maand: mes
– Week: semana
– Dag: día
– Maandag: lunes
– Dinsdag: martes
– Woensdag: miércoles
– Donderdag: jueves
– Vrijdag: viernes
– Zaterdag: sábado
– Zondag: domingo

In het restaurant

– Ontbijt: el desayuno
– Lunch: la comida
– Diner: la cena
– Eten: comer
– Drinken: beber
– Tafel: la mesa
– Reserveren: reservar
– Mes: el cuchillo
– Vork: el tenedor
– Lepel: la cuchara
– Theelepel: la cucharilla
– Bord: el plato
– Fles: la botella
– Glas: el vaso
– Menukaart: el menú / la carta
– Wijnkaart: la carta de vinos
– Voorgerechten: entrantes
– Hoofdgerecht: el plato principal
– Dagmenu: el menú del día
– Nagerecht: los postres

In geval van nood

– Help!: ¡ayuda!
– Politie: policía
– Arts: el médico
– Ongeluk: el accidente
– Autopech: la averia

Onderweg

– Halte: la parada
– Bus: el autobús
– Station: la estación
– Luchthaven: el aeropuerto
– Vervoerbewijs: el billete
– Afrit: la salida
– Rechtdoor: recto
– Hier / Daar: aquí / allí
– Plattegrond: el mapa / el callejero
– Bank: el banco
– Telefoon: el teléfono
– Telefoonkaart: tarjeta de teléfono
– Postkantoor: oficina de correos
– Postzegels: los sellos
– Geopend: abierto
– Gesloten: cerrado

Getallen in het Spaans

– Een: uno
– Twee: dos
– Drie: tres
– Vier: cuatro
– Vijf: cinco
– Zes: seis
– Zeven: siete
– Acht: ocho
– Negen: nueve
– Tien: diez
– Elf: once
– Twaalf: doce
– Dertien: trece
– Viertien: catorce
– Vijftien: quince
– Sestien: dieciséis
– Seventien: diecisiete
– Achttien: dieciocho
– Negentien: diecinueve
– Twintig: veinte
– Dertig: treinta
– Viertig: cuarenta
– Vijtig: cincuenta
– Zestig: sesenta
– Zeventig: setenta
– Tachtig: ochenta
– Negentig: noventa
– Honderd: cien
– Tweehonderd: doscientos
– Duizend: mil
– Tweeduizend: dosmil

Toeristische woordenlijst in het Catalaans

Tip: koop nu de Catalaans taalgids van Wat & Hoe
Wat & Hoe taalgids CatalaansDeze taalgids biedt je uitkomst in verschillende situaties. Met ruim 4.000 woorden en zinnen in het Catalaans kom je altijd uit je woorden.

Koop nu >

Uitspraakregels voor het Catalaans

Catalaanse fonetiek verschilt nogal van de Spaanse. We kunnen zeggen dat het is een mix van Frans en Spaans, met zachter consonanten en veel meer klinkers. Ook zijn worden meer aan elkaar gezegd (bijvoorbeeld, je zegt ‘si us plau’ als ‘seuws-plauw’).

Hieronder vind je een lijst met uitspraakregels voor het Catalaans:

– Zowel de ‘j’ als de ‘g’ worden, als ze voor de klinkers ‘i’ of de ‘e’ staan, uitgesproken als de ‘j’ in journalist.
– De ‘c’ wordt voor diezelfde klinkers als een scherpte ‘s’ uitgesproken.
– De ‘x’ tussen twee klinkers, als in ‘això’, klinkt als ‘sj’. In combinatie met een ‘t’ zoals in ‘gaspatxo’ als ‘tsj’ en de ‘z’ als ‘dz’.
– De ‘r’ na een klinker, als in ‘diners’, wordt niet uitgesproken.
– De ‘ll’ zoals in ‘Lluís’ wordt als ‘lj’ uitgesproken en ‘l·l’ zoals in ‘Paral·lel’ als ‘ll’.

De belangrijkste zinnen in het Catalaans

– Ik heet…: em dic…
– Waar vind ik…?: on hi ha…?
– Heeft u…?: te…?
– Ik heb… nodig: necessito…
– Ik wil graag…: voldria…
– Wat kost dat?: quant val això?
– Wanneer is… geopend / gesloten?: a quina hora obren / tanquen?
– Ik wil een ongeluk / diefstal aangeven: vull denunciar un accident / robatori
– Mijn geld, cheques, paspoort is /zijn gestolen: m’han robat els diners, xecs, el passaport
– Wilt u alstublieft een ambulance / de politie bellen?: si us plau, truqui l’ambulancia / la policia
– Heeft u een een- / tweepersoonskamer vrij?: te una habiatació doble?
– Met / zonder bad: amb / sense bany
– Met ontbijt: amb esmorzar
– Voor een nacht: per una nit
– Halfpensioen: mitja pensió
– Volpensioen: pensió completa
– Ik vertrek morgenochtend vroeg: me’n vaig demà al matí
– De rekening alstublieft: el compte, si us plau
– Hoe kom ik in…?: com es va a…?
– Waar vertrek de bus naar…?: on surt l’autobús per…?
– Waanneer gaat er een bus / trein naar…?: quan surt l’autobús / tren per…?

Beleefdheidsfrasen in het Catalaans

– Goedendag: bon dia
– Goedenavond: bona tarda
– Goedenacht: bona nit
– Tot ziens: adéu
– Tot straks: fins desprès / fins ara
– Hallo, hoe gaat het?: hola, què tal?
– Goed: bé
– Alstublieft: per favor
– Dank u wel: gràcies
– Graag gedaan: de res
– Wat kan ik voor u doen?: què desitja?
– Neem u me niet kwalijk: perdoni
– Spreekt u Engels?: parla anglès?
– Spreekt u Nederlands?: parla holandès?
– Heeft u een vuurtje?: té foc?

Tijd en dagen van de week in het Catalaans

– Wanneer: quan?
– Vandaag: avui
– Morgen: demà
– Overmorgen: demà passat
– Gisteren: ahir
– ’s ochtends: al matí
– ’s middags: al migdia
– ’s avonds: per la tarda
– ’s nachts: per la nit
– Maand: mes
– Week: setmana
– Dag: dia
– Maandag: dilluns
– Dinsdag: dimarts
– Woensdag: dimecres
– Donderdag: dijous
– Vrijdag: divendres
– Zaterdag: dissabte
– Zondag: diumenge

In het restaurant

– Ontbijt: l’esmorzar
– Lunch: el dinar
– Diner: el sopar
– Eten: menjar
– Drinken: beure
– Tafel: la taula
– Reserveren: reservar
– Mes: el ganivet
– Vork: la forquilla
– Lepel: la cullera
– Theelepel: la cullera petita
– Bord: el plat
– Fles: l’ampolla
– Glas: el got
– Menukaart: el menú / la carta
– Wijnkaart: la carta de vins
– Voorgerechten: entrants
– Hoofdgerecht: el plat principal
– Dagmenu: el menú del dia
– Nagerecht: els postres

In geval van nood

– Help!: ajuda!
– Politie: la policia
– Arts: el metge
– Ongeluk: l’accident
– Autopech: l’averia

Onderweg

– Halte: la parada
– Bus: l’autobús
– Station: l’estació
– Luchthaven: l’aeroport
– Vervoerbewijs: el bitllet
– Afrit: la sortida
– Rechtdoor: recte
– Hier / Daar: aquí / allà
– Plattegrond: el mapa
– Bank: el banc
– Telefoon: el telèfon
– Telefoonkaart: targeta de telèfon
– Postkantoor: oficina de correus
– Postzegels: els segells
– Geopend: obert
– Gesloten: tancat

Getallen in het Catalaans

– Een: un
– Twee: dos
– Drie: tres
– Vier: quatre
– Vijf: cinc
– Zes: sis
– Zeven: set
– Acht: vuit
– Negen: nou
– Tien: deu
– Elf: onze
– Twaalf: dotze
– Dertien: tretze
– Viertien: catorze
– Vijftien: quinze
– Sestien: setze
– Seventien: disset
– Achttien: divuit
– Negentien: dinou
– Twintig: vint
– Dertig: trenta
– Viertig: quaranta
– Vijtig: cinquanta
– Zestig: seixanta
– Zeventig: setanta
– Tachtig: vuitanta
– Negentig: noranta
– Honderd: cent
– Tweehonderd: dos-cents
– Duizend: mil
– Tweeduizend: dosmil

Nieuws over taal

– 06/12/2015: Boeken met Barcelona in de hoofdrol
– 14/09/2011: Catalaans op school onder vuur

Delen?Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+Email this to someone